Hoofdmenu Servicemenu Zoeken Inhoud
Gezondheid en ziekte zijn niet gelijk verdeeld over verschillende bevolkingsgroepen in Nederland. Het terugdringen van gezondheidsachterstanden die te vermijden zijn, is één van de hoofddoelstellingen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Gezondheidsachterstanden doen zich voor bij groepen met een lage sociaaleconomische status en sommige etnische groepen.
De gezondheid van mensen in lagere sociaaleconomische groepen is over het algemeen slechter dan die van mensen in hogere sociaaleconomische groepen. Zo leven mensen met alleen basisschool zeven jaar korter dan mensen met een hbo- of universitaire opleiding; het verschil in levensverwachting zonder lichamelijke beperkingen is zelfs meer dan vijftien jaar. Deze verschillen tussen sociaaleconomische groepen zijn de afgelopen tien jaar niet kleiner geworden (Bruggink, 2009b, Hoeymans et al., 2010). Laagopgeleiden hebben over het algemeen ook meer gezondheidsproblemen dan hoogopgeleiden en hun ervaren gezondheid is slechter.
Het verschil in levensverwachting tussen laag en hoog opgeleide mannen en vrouwen is 6,9 respectievelijk 5,7 jaar (periode 1997-2005). De levensverwachting van mannen met alleen lagere school is 72,2 jaar en mannen met een hbo- of wetenschappelijke opleiding leven gemiddeld 79,1 jaar. Laagopgeleide vrouwen hebben een levensverwachting van 78,1 jaar, terwijl hoger opgeleide vrouwen gemiddeld 83,8 jaar leven.
Lager opgeleide mannen en vrouwen leven respectievelijk 18,8 en 16,4 jaar minder in als goed ervaren gezondheid dan hoger opgeleide mannen en vrouwen (periode 1997-2005). Laagopgeleiden leven gemiddeld korter en verkeren gedurende hun leven gemiddeld ook nog in een minder goede gezondheidstoestand.
Verschillen in het gebruik van de gezondheidszorg tussen sociaaleconomische status-groepen zijn gering. In overeenstemming met hun gezondheidstoestand maken personen met een lage SES meer gebruik van de gezondheidszorg. Onafhankelijk van de gezondheidstoestand doen personen met een lage ses echter vaker een beroep op de huisarts en bezoeken ze iets minder vaak een specialist. Het is niet bekend of er verschillen zijn in andere aspecten van de zorg, zoals toegankelijkheid en kwaliteit (De Hollander et al., 2006).
Lagere ses-groepen maken minder gebruik van preventieve voorzieningen. Zo is de opkomst bij het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker lager in minder welgestelde buurten. Bij tal van andere preventieve maatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van roken, blijkt het vooral moeilijk om personen met een lage ses te bereiken.
Zie ook: Gezondheid in veertig krachtwijken
In Zeeland heeft 9% van de huishoudens een laag inkomen. Dit betekent dat ongeveer 14400 huishoudens moeten rondkomen met een inkomen van maximaal 9.249 euro (CBS, 2005). Klik hier voor een overzicht van de SES-scores op postcodeniveau in 2006.
Ruim de helft van de derdeklassers van het voorgezet onderwijs (59%) volgde in schooljaar 2006-2007 vmbo-onderwijs (inclusief leerweg ondersteunend onderwijs). Van de derdeklassers is 22% havo-leerling en 19% vwo-leerling (Jeugdmonitor Zeeland, 2007).
Vier op de tien volwassenen in de Oosterschelderegio heeft een netto inkomen beneden modaal (minder dan 1750 euro per maand). Van de 19-64 jarigen heeft 18% enige tot grote moeite met rondkomen en 7% heeft grote moeite met rondkomen. Bijna tweederde van de volwassenen (64%) geeft aan op minimaal een terrein te bezuinigen.
In de Oosterschelderegio blijkt 39% van de volwassenen (19-64 jaar) mavo/lbo te hebben afgerond. Ongeveer een derde (33%) heeft havo/vwo/mbo afgerond, 20% hbo/wo en 7% heeft geen opleiding of heeft alleen de lagere school afgerond (Volwassenmonitor Oosterschelderegio, 2005)
Ongeveer een op de vijf 65-plussers in Zeeland (21%) is kwetsbaar. Dat zijn ouderen met een hoge draaglast in combinatie met een lage draagkracht. Een hoge draaglast wil zeggen dat ouderen lichamelijke beperkingen of andere gezondheidsproblemen hebben. Een lage draagkracht houdt in dat ouderen weinig hulpbronnen hebben zoals een partner die kan bijspringen of een goed inkomen om bijvoorbeeld zorg in te huren.
Van de ouderen in Zeeland ontvangt 22% alleen AOW als inkomen. Ongeveer 10% van de Zeeuwse ouderen heeft moeite om van het inkomen rond te komen en 2% heeft grote moeite met rondkomen. Verder heeft 35% van de ouderen geen opleiding of alleen lager onderwijs afgerond (Ouderenmonitor Zeeland, 2007).
Het Nederlandse kabinet heeft zich tot doel gesteld de bestaande sociaal-economische gezondheidsverschillen in 2020 met tenminste 25% te verkleinen door het verbeteren van de gezondheidstoestand van de groep met een lage SES (Van der Lucht, 2006). Om dit bereiken zal de overheid op meerdere fronten tegelijkertijd moeten interveniëren. Zij onderscheidt vier aangrijpingspunten voor beleid:
Vanuit VWS zijn zijn er in 2006 (Nota Kiezen voor gezond leven) vijf speerpunten gesteld: roken, schadelijk alcoholgebruik, overgewicht (bewegen en voeding) diabetes en depressie. Voor de speerpunten overgewicht en diabetes wordt met name de doelgroep mensen met een lage sociaal economische status genoemd. Voor de speerpunten roken en schadelijk alcoholgebruik geldt dat zij vaker voorkomen bij mensen met een laag opleidingsniveau. Bij de uitwerking van deze speerpunten zal aandacht zijn voor het beïnvloeden van de leefstijl en leefomstandigheden van deze specifieke groepen. In 2009 verscheen van een advies van de Raad voor Volksgezondheid en Zorg, de Onderwijsraad en de Raad voor het openbaar bestuur aan de minister van VWS over intersectoraal gezondheidsbeleid. De titel van deze nota is Buiten de gebaande paden. In deze nota specifiek is specifiek aandacht voor Sociaal economische gezondheidsverschillen.
Om de oorzaken van segv aan te pakken, is het van belang om naast de insteek vanuit volksgezondheid, andere (gemeentelijke) beleidsterreinen te betrekken. Bijvoorbeeld het onderwijs, sociale zaken en ruimtelijke ordening. Als bij een dergelijke samenhangende aanpak de doelstelling het verbeteren van de gezondheid is, noemen we dit integraal gezondheidsbeleid (IGB). Wanneer de doelstelling niet expliciet het verbeteren van de gezondheid is, maar wel sprake is van samenhangend beleid, noemen we het integraal beleid. Sectoraal beleid is op zichzelf staand beleid van een sector buiten het volksgezondheidsdomein met mogelijk effecten op gezondheid (Schrijvers & Storm, 2009). Maatregelen van andere beleidsterreinen gericht op het terugdringen van segv, zijn bijvoorbeeld:
Integraal beleid is van belang om verbetering te krijgen op de volgende vier aandachtsgebieden:
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van VWS onderzoek gedaan in hoeverre de vier bovengenoemde aandachtsgebieden terugkomen in de Rijksbegroting 2008. Uit dit onderzoek blijkt dat 38 van de 153 maatregelen op minimaal één van de vier bovenstaande aandachtsgebieden gericht is. Bij 14 van deze beleidmaatregelen is aanvullend onderzoek verricht naar de effecten van de betreffende maatregel binnen en buiten de volksgezondheidssector op het terugdringen van gezondheidsachterstanden. Uit dit onderzoek blijkt echter dat dergelijke effecten moeilijk aan te tonen zijn (Schrijvers & Storm, 2009).
Met behulp van het kwaliteitsinstrument Preffi is gekeken naar de opzet van het project, de procesevaluatie en de effectevaluatie. Scoort het project op de kwaliteitscriteria van de opzet hoog, dan wordt het project gekarakteriseerd als ‘veelbelovend’. Scoren de veelbelovende projecten óók hoog op de kwaliteitscriteria van de procesevaluatie dan worden ze als ‘best practices’ aangeduid. De resultaten zijn in onderstaand overzicht weergegeven (Ten Dam et al., 2005b).
Uit onderzoek is gebleken dat er voldoende bewijs is dat gezondheidsbevordering specifiek gericht op lage SES-groepen bijdraagt aan de verkleining van gezondheidsverschillen. In recent onderzoek in Nederland zijn in zes van de twaalf onderzochte interventies gericht op het verkleinen van de gezondheidsachterstand van lage SES-groepen 'redelijk overtuigende aanwijzingen' gevonden voor de effectiviteit ervan. Op grond hiervan kan aanbevolen worden om deze interventies op grote schaal te implementeren.
Naast interventies die specifiek op lage SES-groepen gericht zijn, kan het gezondheidsgedrag van deze groepen ook beïnvloed worden door landelijk beleid dat op de gehele Nederlandse bevolking gericht is. Echter, de effecten van landelijk beleid ter bevordering van gezond gedrag zijn voor lage SES-groepen meestal óf beperkt (roken, voeding, drugs) óf niet bekend (bewegen). Een uitzondering vormen de effectieve alcoholinterventies via school (Ten Dam et al., 2005b).
Best practices interventies
Organisatie
Inhoud
Amor i salu
GGD Rotterdam
Community-project met voorlichtingsactiviteiten gericht op veilig vrijen en gebruik van anticonceptiva.
Het Arnhemse Broek, Gezond en Wel
Hulpverlening Gelderland Midden, Arnhem
In dit project wordt wijkgericht werken gekoppeld aan gezondheid in aandachtswijken in de Arnhemse regio. In het project is een participatieve aanpak toegepast om welzijn en gezondheid te verbeteren voor mensen met een lagere SES.
Hartslag Limburg
GGD Zuidelijk Zuid-Limburg
Het project Hartslag Limburg, gestart in 1998, is een grootschalig regionaal samenwerkingsproject gericht op preventie van hart- en vaatziekten in de regio Zuidelijk Zuid-Limburg. In het project worden de preventieve krachten van ziekenhuis, huisartsen, GGD en gemeenten gebundeld.
Wijkgericht Gezondheidswerk
GGD Hart voor Brabant
Een wijkgericht gezondheidsproject dat al vanaf 1997 in een aantal aandachtsgebieden uitgevoerd wordt. Samenwerking met bewoners en werkers in de wijk zijn uitgangspunten binnen dit project. Er worden vele wijkgerichte interventies uitgevoerd, waarbij onderwerpen als voeding, beweging, opvoeding, spanning en ontspanning e.d. aan bod komen.
Hieronder staat een lijst met activiteiten die in Zeeland worden uitgevoerd en gericht zijn op mensen met een lage SES. Op dit moment staan alleen de activiteiten van GGD Zeeland weergegeven.
De cursus Goede voeding hoeft niet veel te kosten wordt momenteel aangeboden door Zorgstroom.
Voor vragen of advies kunt u contact opnemen met mw. E. van Klinken: 0113-249470 of via estherella.vanklinken@ggdzeeland.nl