Hoofdmenu Servicemenu Zoeken Inhoud
De belangrijkste symptomen van depressie zijn een aanhoudende neerslachtige stemming en een ernstig verlies aan interesse in bijna alle dagelijkse activiteiten. Depressie moet niet worden verward met de 'gewone' neerslachtigheid die iedereen wel eens heeft. De neerslachtigheid bij depressie is heviger en klaart na een paar dagen niet vanzelf op.
In het diagnostische handboek DSM-IV wordt depressie onderverdeeld in de depressieve stoornis en dysthymie. Een depressieve stoornis kan van korte duur zijn (enkele weken tot maanden) maar ook een chronische aard hebben. Dysthymie is een mildere vorm van chronische depressie, met een minimale duur van twee jaar.
De depressieve stoornis heeft, als de persoon niet wordt behandeld, een wisselend en grillig beloop (Bouvy & Nolen, 1998; Spijker, 2002; Weel-van Baumgarten, 2000):
Diagnostiek geschiedt bij voorkeur volgens de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie, eerste revisie (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2010). Deze richtlijn is tot stand gekomen in samenwerking tussen het Trimbos-instituut, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Nederlands Huisartsen Genootschap, Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, Nederlands Instituut van Psychologen. Voor de huisarts is de NHG-standaard ‘Depressieve Stoornis’ beschikbaar. Deze richtlijnen zijn bedoeld voor diagnostiek en behandeling van depressie bij volwassenen van 18 tot 65 jaar. Daarnaast wordt apart aandacht besteed aan jongeren en ouderen. Zowel voor depressie bij kinderen en jeugdigen als voor depressie bij ouderen is er een addendum (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2009; Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008).
Mensen met depressie zijn vaak ernstig beperkt in hun sociaal en maatschappelijk functioneren. Uit onderzoek met de SF-36 blijkt dat een depressie voor alle aspecten negatieve gevolgen heeft. Met name de vitaliteit, het sociaal functioneren, het rolfunctioren en de geestelijke gezondheid zijn ernstig aangetast (Bijl & Ravelli, 2000; Kruijshaar et al., 2003a).
Er bestaat niet één oorzaak voor depressie en dysthymie. Aangenomen wordt dat het om een samenspel van factoren gaat. In tabel 1 worden de volgende groepen determinanten onderscheiden: persoonsgebonden factoren, omgevingsgebonden factoren en levensgebeurtenissen.
Traumatische jeugdervaringen waaronder mishandeling en emotionele verwaarlozing verhogen later de kwetsbaarheid voor psychische stoornissen, waaronder depressie (Van 't Land et al., 2008b; Maas & Jansen, 2000). Het meemaken van traumatische gebeurtenissen vergroot bij volwassenen de kans dat zij spoedig daarna met depressie te kampen krijgen. Dit is onder andere het geval bij vluchtelingen. Ook andere stressvolle levensgebeurtenissen verhogen het risico op depressie, zoals gebeurtenissen op het interpersoonlijke vlak (vooral bij vrouwen) of aan de gezondheid gerelateerde gebeurtenissen (vooral bij ouderen) (Maas & Jansen, 2000; Devanand et al., 2002; Beekman et al., 2004).
Tabel 1: Risicofactoren voor het optreden van depressie.
persoonsgebonden determinanten
verhoogde kans op depressie / risicogroep
geslacht
leeftijd
genetische factoren
persoonlijkheidskenmerken
gezondheidstoestand
omgevingsgebonden determinanten
sociale steun
armoede
levensgebeurtenissen
traumatische ervaringen
Depressie is op bevolkingsniveau één van de duurdere ziekten. In 2005 bedroegen de kosten van zorg voor mensen met een depressie 773 miljoen euro. Hiervan ging het grootste deel naar de geestelijke gezondheidszorg (58%), gevolgd door genees- en hulpmiddelen (15%).
Bron: Nationaal Kompas Volksgezondheid
Naar schatting waren er in 2007 in Nederland 642.800 mensen van 18 tot 65 jaar die in het jaar daarvoor gedurende enige tijd leden aan een stemmingsstoornis. Daarvan hadden naar schatting 545.100 een depressieve stoornis en 92.300 dysthymie. Ongeveer 82.000 mensen voldeden in het afgelopen jaar aan de criteria voor beide diagnoses. De Nederlandse cijfers komen overeen met die in andere westerse landen.
Er zijn geen aanwijzingen dat het aantal mensen met depressie of depressieve gevoelens de laatste tien jaar is toe- of afgenomen. Uitgaande van de demografische ontwikkelingen zal het absolute aantal nieuwe gevallen van depressieve stoornissen dat de huisarts diagnosticeert tussen 2005 en 2025 met 4% stijgen.
Het aantal mensen met depressie in behandeling is de laatste tien jaar sterk toegenomen. Zo is het aantal bij de huisarts bekende patiënten met depressie van 1994 tot 2007 meer dan verdubbeld. Daarnaast steeg het aantal voorschriften voor antidepressiva van 2,9 miljoen in 1997 tot 6,8 miljoen in 2008. In de tweede helft van 2008 haalden ruim 880.000 mensen in Nederland antidepressiva bij hun apotheek. De huisarts herkent en behandelt steeds meer mensen met depressie. Toch ontvangt meer dan de helft van de mensen met depressie nog altijd geen behandeling.
Depressie komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen. In 2007 leed van alle inwoners van Nederland van 18 tot 65 jaar 4,9% van de mannen en 7,4 % van de vrouwen aan een stemmingsstoornis (een depressie in engere zin, dysthymie of een bipolaire stoornis). In totaal zijn dat 258.200 mannen en 384.600 vrouwen. Onder volwassenen en ouderen komt depressie respectievelijk ongeveer anderhalf maal en tweemaal zo veel voor bij vrouwen als bij mannen, bij jongeren tussen 13 en 17 jaar is dat driemaal (De Hollander et al., 2006). Het beloop en de kans op herhaling is ongeveer gelijk (Van 't Land et al., 2008b).
Depressie lijkt bij volwassenen van Marokkaanse afkomst vaker voor te komen dan bij volwassenen van Nederlandse afkomst (De Graaf et al., 2005c). Bij oudere Marokkanen en Turken komen depressieve gevoelens ook vaker voor (Van der Wurff et al., 2004). Dit is gedeeltelijk te verklaren door verschillen in sociaal-economische status. Mogelijk speelt ook immigratie een rol.
Depressieve stoornissen komen het meest voor bij laagopgeleiden, namelijk bij 7,9% van de volwassen bevolking tussen de 18 en 64 jaar met alleen lagere school. De prevalentie van depressieve stoornissen neemt af met een toenemend opleidingsniveau. Alleen in de twee hoogste opleidingsgroepen komen depressieve stoornissen ongeveer even vaak voor. Het opleidingsniveau is hier als indicator gebruikt voor de sociaaleconomische status van mensen.
Er zijn geen regionale gegevens beschikbaar over het daadwerkelijk voorkomen van depressie, maar er zijn geen aanwijzingen dat er grote verschillen zijn met Nederland. Als bijvoorbeeld gekeken wordt naar de psychische gezondheid in het algemeen (gemeten met de MHI-5), dan scoren inwoners van Zeeland hierop vergelijkbaar met Nederland (Kostalova et al., 2005). Van de volwassenen in de Oosterschelderegio voelt 14% zich psychisch ongezond, van de ouderen in Zeeland is dit 19% (GGD Gezondheidsatlas).
Als de Nederlandse cijfers uit zorgregistraties worden doorgerekend naar de regio, wordt geschat dat ruim 14.400 mensen in Zeeland een depressie hebben. In werkelijkheid zal dit aantal groter zijn, omdat gegevens uit zorgregistraties alleen gebaseerd zijn op mensen die in zorg zijn. Vooral bij psychische aandoeningen zoals depressie wordt lang niet altijd contact gezocht met de zorg (Van Bon-Martens et al., 2006c).
Door VAAM (vraag aanbod analyse monitor, NIVEL) worden schattingen van het percentage mensen met een psychische stoornis gemaakt op basis van het laatste grootschalige bevolkingsonderzoek in Nederland: Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS) uit 1996-1999. Volgens deze schattingen heeft 5% van de Zeeuwse bevolking stemmingsstoornissen (waaronder depressie) in vergelijking tot 8% van de Nederlandse bevolking.
Het gebruik van antidepressiva is in Zeeland in 2000 hoog: 20-30% hoger dan het landelijk gemiddelde. Delft scoort het hoogst; Friesland en Nijmegen scoren even hoog als Zeeland (Nationale Atlas, november 2007). Er is nader onderzoek nodig om deze positie van Zeeland te kunnen verklaren.
Emergis is de grootste Zeeuwse instelling op het gebied van GGZ en verslavingszorg en ziet ruim 80% van de clienten in de ggz. De instelling biedt tweedelijnszorg in extra- en intramurale setting. In 2007 werden er bij Emergis 415 cliënten ingeschreven voor de ambulante/extramurale zorg met een depressie of bipolaire stoornis (depressie afgewisseld met manie).
Het ministerie van VWS heeft preventie van depressie als beleidsspeerpunt opgenomen in de preventienota ‘Kiezen voor gezond leven’ (VWS, 2006l). Daarmee is een beleidskader neergezet voor het gemeentelijk beleid en voor initiatieven in de gezondheidszorg op het gebied van depressiepreventie. Doelstelling is om de komende jaren meer mensen te bereiken met depressiepreventie. Preventie van depressie is niet eerder een beleidsspeerpunt geweest; het is dus beleidsmatig een vrij nieuw terrein. De landelijke overheid heeft preventieve taken grotendeels gedecentraliseerd naar gemeenten. Gemeenten zijn vanuit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) verantwoordelijk voor de openbare geestelijke gezondheidszorg bij de lokale bevolking (Oggz). De Wmo bepaalt dat gemeenten hun beleid op negen prestatievelden, waaronder de Oggz, moeten vastleggen in een beleidsplan. Dit plan stelt de gemeente één keer in de vier jaar op.
Depressie is een ernstige psychische stoornis met grote maatschappelijke gevolgen. Preventie van depressie heeft tot doel om te voorkomen dat mensen een depressieve stoornis ontwikkelen. Afhankelijk van de doelgroep is er sprake van universele, selectieve of geïndiceerde preventie. Universele preventie richt zich op bevolkingsgroepen in het algemeen en heeft vaak kennisoverdracht of attitudeverandering tot doel. Selectieve preventie richt zich op groepen met een verhoogd risico op depressie en geïndiceerde preventie op mensen met beginnende klachten van depressiviteit. Beide laatste vormen richten zich op het herkennen, onderzoeken en veranderen van negatieve gedachten.
Instanties die zich vanuit de nuldelijn inzetten voor preventie van depressie zijn het Depressie Centrum en Korrelatie. Het Depressie Centrum vertegenwoordigt landelijk het patiëntenperspectief. Dit Centrum wil elke burger die, op wat voor manier dan ook, met depressies te maken heeft, zo goed mogelijk informeren over preventie, diagnostiek en behandeling van depressies. Het Centrum biedt voorlichting, informatie, advies en ondersteuning via telefoon, internet, brochures en folders. Ook de stichting Korrelatie biedt preventieve hulp aan mensen met (onder andere) depressiviteitsklachten, per telefoon en per e-mail. Zij geeft informatie op het gebied van psychische en/of psychosociale problemen en luistert en denkt met de cliënt mee. De medewerkers zijn professionele hulpverleners, zoals verpleegkundigen, psychologen en maatschappelijk werkers. Korrelatie wordt gedeeltelijk gesubsidieerd door het ministerie van VWS.
Om meer mensen te kunnen bereiken met interventies ter preventie van depressie moet depressiepreventie beter worden ingebed in het lokale beleid en in de Nederlandse gezondheidszorg. Het 'Partnership Depressie Preventie' (PDP) houdt zich bezig met de wijze waarop dit zou kunnen. Het Partnership bestaat uit een groot aantal organisaties, die samen een pakket aan maatregelen leveren voor professionals binnen de publieke gezondheidszorg, eerstelijnszorg, welzijn en onderwijs en beleidsmakers. Het Partnership probeert het bereik te vergroten door zich te richten op drie deelgebieden: lokaal beleid, voorlichting en bewustwording, en signaleren en verwijzen. Het deelgebied lokaal beleid faciliteert het agenderen en invullen van depressiepreventie in lokaal beleid door gemeenten, GGD'en en betrokken lokale instellingen. Het deelgebied voorlichting en bewustwording richt zich op het programma 'Mentaal Vitaal' (Trimbos-instituut, 2009). Binnen het programma 'Mentaal Vitaal' zet het Partnership ook in op internetinterventies. Binnen het deelgebied signaleren en verwijzen informeert het Partnership professionals en vrijwilligers over risicofactoren, signalerings- en screeningsinstrumenten en deskundigheidsbevordering (Van den Berg & Schoemaker, 2010).
Voor de aanpak van depressie op lokaal niveau heeft het Partnership Depressie Preventie een handleiding voor gemeentelijk preventiebeleid geschreven. Gemeenten kunnen ook gebruik maken van een handleiding ‘Depressiepreventie ouderen’ (Bohlmeijer et al., 2005b). Daarmee kunnen ze een integrale aanpak ontwikkelen die afgestemd is op hun eigen gemeente. Dit is een wijkgerichte aanpak waarbij GGD'en en overige relevante partijen met elkaar samenwerken. In het najaar van 2010 verschijnt de handleiding Gezonde Gemeente als opvolger van de huidige handleidingen lokaal gezondheidsbeleid.
Onderzoek, ontwikkeling en implementatie van depressiepreventie zijn vooral een taak van het Trimbos-instituut en van ZonMw. Het Trimbos-instituut verzorgt samen met GGZ Nederland een programma ‘Landelijke Steunfunctie Preventie' (LSP). De LSP organiseert activiteiten om praktijk, beleid en onderzoek gericht op preventie van psychische problematiek op elkaar af te stemmen. Ook stimuleert ze samenhang tussen landelijke en regionale activiteiten op dit terrein. De LSP richt zich op preventiewerkers, onderzoekers en beleidsmakers. Het Trimbos-instituut werkt samen met het Nederlands Kenniscentrum Angst en Depressie. Dit kenniscentrum houdt zich onder andere bezig met kennisoverdracht aan patiënten en professionals en met het ontwikkelen van expertise in preventie van angst en depressie.
Bij de preventie van psychische stoornissen en bij het inzetten van interventies zijn er raakvlakken met andere beleidsterreinen:
Op 20 maart 2007 is de handleiding Preventie van depressie in lokaal gezondheidsbeleid verstuurd naar een groot aantal organisaties in het land. Het Trimbos-instituut heeft samen met landelijke partners zoals gemeenten, GGD’en en GGZ-instellingen de handleiding ontwikkeld. Voor veel gemeenten is preventie van depressie een nieuw thema. De handleiding dient om gemeenten te ondersteunen bij de praktische invulling van lokaal beleid voor depressiepreventie. Het eerste deel van de handleiding geeft informatie voor het formuleren van verantwoord beleid. Het tweede praktische deel helpt om het beleid uit te kunnen voeren. De handleiding bevat ook een Leeflijn: een overzicht van alle preventieprogramma’s voor depressie die beschikbaar zijn voor verschillende leeftijdsgroepen (Bohlmeijer & Mutsaers, 2007).
De Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGz) valt sinds 1 januari 2007 onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Voor de OGGz is een basisaanbod omschreven. Daartoe behoort ook het bevorderen van de psychische gezondheid en de preventie van psychische stoornissen en verslavingen. Hierbij is de rol van de gemeenten: ‘ervoor zorgen dat er op het gebied van preventie activiteiten worden uitgevoerd. Ze heeft hierin een check functie en een bevorderende functie.’ Met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn meer taken dan tot nu toe bij de gemeenten terecht gekomen. Dit zijn onder andere taken ten behoeve van mensen met chronische aandoeningen, waaronder langdurige psychische stoornissen.
Preventie van psychische stoornissen, als onderdeel van de OGGz met raakvlakken met andere taken in het kader van de WCPV, staat nog niet vaak op de agenda van het lokaal gezondheidsbeleid. Om dat te bewerkstelligen moet een integraal openbaar gezondheidsbeleid worden gevoerd. Op basis van een analyse van gegevens over de gezondheid van de lokale bevolking worden prioriteiten gesteld om gezondheidsdoelen te bereiken, en worden middelen gezocht, bijvoorbeeld preventieprogramma’s, om die doelen te bereiken. Voor een integrale aanpak is het noodzakelijk om een effectieve mix te maken van beleidsmaatregelen en het inzetten van effectieve programma’s waarin samengewerkt wordt door de aanbieders.
Bij de opzet van een aanpak van depressiepreventie ouderen heeft het Trimbos-instituut zich laten leiden door drie overwegingen.
De laatste jaren is veel inzicht verkregen in de oorzaken van depressie en in effectieve interventies om depressie te voorkomen. Heel belangrijk is daarbij het inzicht in risicofactoren (factoren die de kans op depressie bij ouderen vergroten) en beschermende factoren (factoren die beschermen tegen depressie). De aanpak dient flexibel te zijn voor toepassing binnen een lokale context.
Geen gemeente is hetzelfde. Dat geldt zowel voor de samenstelling van haar bevolking, als voor fysieke kenmerken van gemeenten, als de reeds aanwezige voorzieningen, zorg en beleid. Dit betekent dat een blauwdruk weinig zinvol is. De methode dient daarom de bouwstenen en instrumenten aan te leveren waarmee gemeenten op basis van de specifieke lokale omstandigheden een integrale aanpak op maat kunnen maken.
Op basis van deze uitgangspunten is een stappenplan met bijbehorende instrumenten ontwikkeld waarmee gemeenten in relatief korte tijd een integrale aanpak depressiepreventie ouderen kunnen ontwikkelen.
Klik hier voor meer informatie over de 10 stappen uit het stappenplan.
In het stappenplan komen achtereenvolgens aan de orde: de organisatie van een lokaal samenwerkingsverband, een snelle probleemanalyse van de bevolking en aanwezige risicofactoren, een responsanalyse van de mogelijkheden die gemeenten en betrokken organisaties hebben om een preventief gezondheidsbeleid te ontwikkelen en het formuleren van een actieplan.
Een vergelijkbare methode kan ook voor alle andere veelvoorkomende psychische stoornissen en verslavingen worden gevolgd. Het stappenplan kan in de periode van een jaar worden doorlopen. Belangrijkste voorwaarde is dat de ggz-instelling en GGD gezamenlijk zich willen inzetten voor het project en het projectleiderschap en onderzoek op zich willen nemen.
Het Trimbos-instituut heeft de methode in drie boekjes beschreven: Preventie van depressie bij ouderen: Introductie en onderbouwing (Bohlmeijer et al., 2005a); Een overzicht van interventies (Willems & Cuijpers, 2005); Handleiding (Bohlmeijer et al., 2005b).
Dit stappenplan is gericht op gemeenten.
Stap 1 Laat een GGD een overzicht maken op basis van de regionale gezondheidsmonitor met betrekking tot psychische problematiek in de bevolking.
Stap 2 Kies voor een geestelijk gezondheidsprobleem met een hoge prevalentie in de bevolking.
Stap 3 Kies voor een wijk waar dit gezondheidsprobleem relatief veel voorkomt.
Stap 4 Laat een GGD in kaart brengen welke risicofactoren van het gezondheidsprobleem het meest voorkomen in de gekozen wijk(en). Op basis hiervan kunnen hoogrisicogroepen worden bepaald.
Stap 5 Bespreek de resultaten met de lokale GGZ-instellingen en GGD, en bespreek of zij een projectleider voor het ontwikkelen van een integrale aanpak kunnen vrijstellen.
Stap 6 Vraag of de projectleider een lokale projectgroep en stuurgroep wil organiseren. Stimuleer relevante organisaties om deel te nemen. Zit eventuele visiebijeenkomsten en de stuurgroepbijeenkomsten bij voorkeur zelf voor.
Stap 7 Laat een snelle probleemanalyse uitvoeren (bijvoorbeeld met rapid assesment and response methode) en een quick-scan facetbeleid uitvoeren naar mogelijke oplossingen voor het gezondheidsprobleem. Betrek hierbij ook de doelgroep zelf.
Stap 8 Laat de project- en stuurgroep zich oriënteren op de landelijk beschikbare, gestandaardiseerde en veelbelovende interventies.
Stap 9 Laat op basis van het onderzoek een gemeenschappelijk actieplan ontwikkelen.
Stap 10 Neem het actieplan op in de nieuwe lokale gezondheidsplannen.
(Bron: Ruiter et al., 2005)
Een aanbevolen interventie is een leefstijlinterventie waarvan de effectiviteit is beoordeeld door een onafhankelijke Erkenningscommissie van het Nederlands Jeugdinstituut en het RIVM. De Erkenningscommissie evalueert ingediende interventies op drie niveaus:
In de toekomst wordt een vierde niveau toegevoegd: ‘Kosteneffectief’.
Een goed beschreven interventie voldoet aan drie basale kwaliteitseisen:
De beoordeling van 'goed beschreven' interventies wordt uitgevoerd door GGD, GGZ of thuiszorgmedewerkers.
Lees meer over het beoordelen van interventies.
Er zijn veel interventies die gericht zijn op jongeren. Sommige daarvan worden op scholen gegeven, andere zijn meer gericht op risicogroepen. Veel interventies zijn gericht op pesten en weerbaarheid. Maar ook voor volwassenen en ouderen worden interventies uitgevoerd.
Hieronder staat een lijst met organisaties in Zeeland die aanbod hebben op het gebied van depressiepreventie. Neem voor meer informatie, maatwerk of advies contact met hen op. Als ze interventies uitvoeren die in de I-database geregistreerd staan, staan deze onder de naam van de organisatie vermeld.
Interventies gericht op preventie van depressie door GGD Zeeland
Neem voor meer informatie contact op met GGD Zeeland
Interventies gericht op preventie van depressie door Indigo
Neem voor meer informatie contact op met Indigo.