Hoofdmenu Servicemenu Zoeken Inhoud
Hoe we geografische toegankelijkheid van zorg vaststellen
Eenzaamheid is het subjectief ervaren van een onplezierig of ontoelaatbaar gemis aan (kwaliteit van) bepaalde sociale relaties.
Dit onderscheid is van belang omdat de preventie en bestrijding van beide vormen van eenzaamheid een andere aanpak vereisen (Fokkema & Van Tilburg, 2005).
Eenzaamheid kan zowel persoonlijk als maatschappelijk verklaard worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen intra-individuele, inter-individuele en maatschappelijke oorzaken. Voorbeelden van intra-individuele oorzaken zijn bepaalde persoonlijkheidskenmerken zoals een gebrek aan sociale vaardigheden en een slechte gezondheid zoals slechthorendheid of een verminderde mobiliteit.
Met interindividuele oorzaken worden oorzaken bedoeld die liggen in het contact met andere mensen, bijvoorbeeld ziekte of overlijden van de partner.
Maatschappelijke oorzaken van eenzaamheid zijn bijvoorbeeld het toegenomen aantal echtscheidingen en de individualisering van de samenleving (Vilans, 2007).
Eenzaamheid komt op alle leeftijden voor maar ouderen zijn met name kwetsbaar omdat een aantal van de hierboven genoemde oorzaken van eenzaamheid, zoals een slechter wordende gezondheid en een kleiner wordende kring van sociale contacten hen vaker treffen.
Eenzaamheid tast het welzijn ofwel het psychisch/sociaal welbevinden van mensen aan en is daarmee - in de brede definitie van gezondheid van de WHO - op zichzelf een gezondheidsprobleem.
Eenzaamheid kan in allerlei opzichten ook ziekmakend zijn, zowel geestelijk als lichamelijk. Eenzame mensen blijken vaker last te hebben van een verminderd zelfrespect, een pessimistisch toekomstperspectief, depressieve klachten en angststoornissen. Veel voorkomende lichamelijke klachten zijn hoofdpijn, maagpijn, ademhalingsproblemen, slaapproblemen en gebrek aan eetlust, gekoppeld aan overmatige alcoholconsumptie en een bovengemiddeld gebruik van medicijnen zoals slaap- en kalmeringsmiddelen (Fokkema & Van Tilburg, 2005).
Uit een Nederlands onderzoek blijkt bovendien dat minder eenzaamheid, meer emotionele steun en minder praktische steun samenhangt met een kleinere kans op sterfte onder ouderen (Tijhuis, 2002a).
Cijfers over het voorkomen van eenzaamheid variëren nogal afhankelijk van de wijze waarop eenzaamheid gemeten is. Volgens het CBS geeft ongeveer een kwart van de Nederlanders in 1999 zelf aan zich wel eens eenzaam of verlaten te hebben gevoeld (Tijhuis, 2002b).
De zogenaamde gemisintensiteitsschaal van De Jong Gierveld en Kamphuis is een gevalideerd instrument om eenzaamheid meer objectief te meten (De Jong-Gierveld & Kamphuis, 1985). Op basis van deze schaal werd in 2003 het percentage eenzamen onder de Nederlandse bevolking van 18 tot 90 jaar geschat op 33%. Bovendien wordt in deze zelfde leeftijdsrange landelijk een afname van het percentage eenzame mensen gevonden in de periode 1978 tot 2003 (Van Tilburg, 2003).
De cijfers over eenzaamheid in Zeeland zijn gebaseerd op de gemisintensiteitsschaal van De Jong-Gierveld & Kamphuis, 1985. Deze schaal bestaat uit 11 vragen die zowel op de sociale als emotionele eenzaamheid betrekking hebben. De score op de gemisintensiteitsschaal wordt in 4 klassen ingedeeld: niet eenzaam (0-2), matig eenzaam (3-8), ernstig eenzaam (9-10) en zeer ernstig eenzaam (11). De laatste drie klassen worden samengevoegd tot de groep 'eenzamen' (3-11). In feite is wat gemeten wordt het al of niet bestaande verlangen naar (meer, andere of betere) relaties. Men gaat er hierbij van uit dat eenzaamheid wordt veroorzaakt door een gebrek aan relaties (De Jong-Gierveld & Kamphuis, 1985).
Eenzaamheid komt op alle leeftijden voor. Zo is in de Oosterschelderegio vier op de tien 19- t/m 64-jarigen (41%) matig tot (zeer) ernstig eenzaam. (Zeer) ernstige eenzaamheid komt voor bij 8% van de volwassen bevolking in de Oosterschelderegio. De 65-plussers vormen een speciale aandachtsgroep, omdat zij kwetsbaar zijn, onder meer vanwege de afnemende gezondheid en het wegvallen van sociale relaties. In Zeeland is bijna de helft (49%) van de ouderen eenzaam en één op de tien (10%) is (zeer) ernstig eenzaam. In figuur 1 is te zien hoe vaak eenzaamheid voorkomt bij verschillende leeftijdsgroepen. Eenzaamheid neemt toe met de leeftijd en komt met name veel voor onder 75-plussers. Onder Zeeuwse derdeklassers geeft 2% aan zich altijd eenzaam te hebben gevoeld in de afgelopen week en 6% voelt zich redelijk vaak eenzaam. Echter de helft (51%) van de Zeeuwse 14-15 jarigen geeft aan zich nooit eenzaam te hebben gevoeld in de afgelopen week.
Figuur 1. Eenzaamheid naar leeftijd (in %) (Bron: Gezondheidsmonitor GGD Zeeland).
Zowel voor de Zeeuwse volwassenen als voor de ouderen geldt dat sociale eenzaamheid vaker voorkomt dan emotionele eenzaamheid.
Vanwege het relatief hoge percentage eenzaamheid onder de ouderen is tabel 1 alleen voor deze doelgroep ingevuld. In Zeeland blijkt bijna de helft (49%) van alle volwassenen (19 jaar en ouder) sociaal eenzaam te zijn en ongeveer een op de vijf (21%) 19-64 jarigen en één op de drie (33%) 65-plussers is emotioneel eenzaam (Bron: Gezondheidsmonitor GGD Zeeland).
Tabel 1. Sociale en emotionele eenzaamheid bij 65-plussers (bron: Ouderenmonitor Zeeland)
Totaal
49%
33%
kan niet dagelijks praten over probleempjes
31%
-
mist goede vriend of vriendin
24%
ervaart een leegte
26%
heeft niet genoeg mensen om op terug te vallen bij narigheid
mist gezelligheid
28%
vindt kring van kennissen te beperkt
heeft niet veel mensen om volledig op te vertrouwen
48%
heeft onvoldoende mensen waarmee verbondenheid is
35%
mist mensen om zich heen
25%
voelt zich vaak in de steek gelaten
15%
kan niet altijd bij vrienden terecht wanneer daaraan behoefte is
39%
Om te weten welke ouderen in Zeeland relatief vaker eenzaam zijn, is gekeken naar verschillen in geslacht, leeftijd, etniciteit, burgerlijke staat, alleen AOW als inkomen (sociaal economische status), beperkt in bezigheden als gevolg van de lichamelijke gezondheid en mate van verstedelijking. Hieruit blijkt dat alleenstaande ouderen vaker eenzaam zijn dan ouderen die gehuwd zijn of samenwonen (64% tegenover 40%) en ouderen met lichamelijke beperkingen vaker dan ouderen zonder lichamelijke beperkingen (62% tegenover 43%) (Bron: Ouderenmonitor Zeeland).
Er is geen specifiek landelijk beleid op het gebied van eenzaamheid. Er is wel een advies uitgebracht aan het kabinet over eenzaamheid door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, maar dat dateert uit 1997 (RMO, 1997). De Raad adviseert vereenzaming als probleem niet centraal te stellen maar wel het betrekken van mensen bij de samenleving. Hier ligt in eerste instantie een rol voor maatschappelijke organisaties en de burgers zelf. De Raad doet een aantal aanbevelingen:
Om het grote publiek te bereiken hing het Leger des Heils in 2004 posters bij de NS stations met de tekst 'Stop Eenzaamheid. Help mee'. Ook waren er spotjes in vier varianten op televisie met de titel 'Geloof jij dat je iets aan eenzaamheid kan doen?'. Zoals een spotje over een jonge vrouw die niet weet wat zij moet doen met haar vermoeden dat haar overbuurman eenzaam is. De boodschap is dat zij wel degelijk iets kan doen, al is het maar een keer gedag zeggen. De doelen van deze landelijke campagne waren de samenleving ervan bewust maken dat veel Nederlanders zich eenzaam voelen en een mentaliteitsverandering in de samenleving op gang brengen (Van Tilburg & De Jong Gierveld, 2007). Uit: Nationaal Kompas Volksgezondheid, RIVM.
Eenzaamheid kan zowel persoonlijk als maatschappelijk verklaard worden. Oorzaken kunnen worden verdeeld in
Gemeenten voeren onder andere in het kader van de WMO beleid met betrekking tot wonen, welzijn en zorg. Binnen dit beleid leveren ze een bijdrage aan realisering van de randvoorwaarden voor eenzaamheidsinterventies. Zo kunnen er vervoersdiensten worden opgezet en hulpmiddelen verstrekt. Eenzaamheidsproblematiek kan ook een plek krijgen in het gemeentelijk beleid als het gaat om 'maatschappelijke en/of sociale participatie'. Daarmee wordt geprobeerd om eenzaamheid te voorkomen. Andere aanbevelingen zijn:
Een aanbevolen interventie is een leefstijlinterventie waarvan de effectiviteit is beoordeeld door een onafhankelijke Erkenningscommissie van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid en het RIVM. De Erkenningscommissie evalueert ingediende interventies op drie niveaus:
In de toekomst wordt een vierde niveau toegevoegd: ‘Kosteneffectief’.
Een goed beschreven interventie voldoet aan drie basale kwaliteitseisen:
De beoordeling van 'goed beschreven' interventies wordt uitgevoerd door GGD, GGZ of thuiszorgmedewerkers.
Lees meer over het beoordelen van interventies.
Het overzicht van interventies die in Zeeland plaatsvinden op het gebied van eenzaamheid is momenteel niet compleet. Hier vindt u een overzicht van een aantal activiteiten die in de Zeeuwse gemeenten plaatsvinden. Voor meer informatie kan u contact opnemen met de organisaties die zich bezig houden met eenzaamheid.