Hoofdmenu Servicemenu Zoeken Inhoud
Logopedische stoornissen zijn stoornissen in de communicatie (zowel door problemen in het begrip van de taal als in het produceren van taal) en/of in de verwerking van het eten en drinken. Deze stoornissen kunnen liggen op het gebied van de spraak, de taal, de stem, het gehoor of de belangrijkste mondfuncties (Bron: Beroepsprofiel logopedisten).
Hieronder worden enkele veel voorkomende stoornissen bij kinderen beschreven en waar mogelijk oorzaken, gevolgen en risicogroepen benoemd.
Men spreekt van een vertraagde spraak- en taalontwikkeling wanneer een kind in zijn spraak en taal duidelijk achterblijft bij leeftijdgenootjes. Het kind spreekt (nog) niet of opvallend minder; het spreekt in onvolledige, kromme zinnen; het spreken is minder goed verstaanbaar en soms begrijpt het kind niet goed wat er gezegd wordt. Een vertraging in de spraak- en taalontwikkeling geeft problemen: het kind wordt door de omgeving niet begrepen en het kan zich niet goed uiten. Dit kan tot gedragsproblemen leiden. Ook het leren op school kan moeizamer verlopen (Bron: NVFL publieksinfo).
Als het over de taalontwikkeling van kinderen gaat, is er vaak veel aandacht voor meertalige kinderen. Men spreekt van twee- of meertaligheid wanneer kinderen tijdens hun ontwikkeling in aanraking komen met meer dan één taal. Het gaat hierbij zowel om kinderen die vanaf de geboorte tweetalig worden opgevoed als om kinderen die thuis hun moedertaal leren en in kindercentra of op school het Nederlands als tweede taal.
Kinderen die vanaf de geboorte twee talen aangeboden krijgen, leren die talen net zo goed als kinderen die één taal leren. Het is daarbij wel belangrijk dat de talen op een goede manier worden aangeboden. Leert het kind het Nederlands als een tweede taal (boven op de eerste moedertaal), dan is het belangrijk dat het zo vroeg mogelijk veel en correct Nederlands krijgt aangeboden (bijv. op een peuterspeelzaal, door Nederlandse televisieprogramma's, etc.) (NVFL publieksinfo, NVFL Kind & taal).
Het is normaal als de taalontwikkeling van een meertalig kind iets langzamer verloopt; dit kan mede komen door cultuurverschillen (niet in elke cultuur is het gebruikelijk evenveel te praten als in Nederland). Helaas zijn er geen goede instrumenten beschikbaar om te beoordelen of een meertalig kind een vertraging in de taalontwikkeling heeft of dat de schijnbare vertraging verklaard wordt door het feit dat het kind nog weinig taalaanbod in het Nederlands heeft gehad. Door een gebrekkig of onvoldoende taalaanbod in één van de talen, kan de meertalige ontwikkeling een moeilijk proces zijn. Wanneer er een stoornis of vertraging is in de eerste taal, zal ook de tweede taalontwikkeling verstoord verlopen (NVFL publieksinfo, Website NVFL: Kind & taal).
Als een vertraagde taalontwikkeling niet op jonge leeftijd wordt aangepakt, kan een taalachterstand ontstaan. Een taalachterstand resulteert vaak in een leerachterstand waardoor de schoolcarrière van het kind gevaar loopt (NVFL publieksinfo).
Hieronder worden enkele andere veel voorkomende logopedische stoornissen benoemd.
Veel voorkomende problemen in de spraak zijn:
(NVFL publieksinfo, Logopediepraktijk Leeuwaarden)
Veel voorkomende problemen met de stem zijn heesheid en schorheid. Dit ontstaat door een verkeerd stemgebruik, waardoor de stembanden kunnen beschadigen (bijv. vorming van knobbeltjes of poliepen). Dit kan bij kinderen bijvoorbeeld ontstaan door veel schreeuwen, gekke stemmetjes nadoen en schrapen. Het probleem kan opgelost worden door logopedische behandeling, soms gecombineerd met een operatie (Logopediepraktijk Leeuwaarden).
Onder afwijkende mondgewoonten worden die gewoonten verstaan die negatieve gevolgen hebben voor de gebitsstand, het spreken of het gehoor. Veel voorkomende voorbeelden zijn openmondgedrag (mondademen) en duimzuigen. Door openmondgedrag neemt de kans op oorontstekingen toe. Daarnaast kunnen tanden scheef gaan staan of kan een kind gaan slissen of lispelen (doordat de tong tegen de tanden gedrukt wordt). Het zuigen op een duim, vinger of speen is normaal bij een baby of peuter; daarna wordt het een gewoonte, waardoor de tanden scheef kunnen groeien (NVFL publieksinfo).
Een goed gehoor is erg belangrijk voor de communicatie. Als kinderen niet goed horen, kan dat (ernstige) gevolgen hebben voor de spraak- en taalontwikkeling. Tijdens oorontstekingen en verkoudheid is het gehoor ook verminderd. Kinderen die in de eerste levensjaren regelmatig middenoorproblemen met gehoorverliezen hebben, kunnen problemen krijgen in de spraak- en taalontwikkeling. Soms is een medische ingreep (plaatsen van buisjes) noodzakelijk (NVFL publieksinfo).
Er is geen standaard definitie voor een spraak- of taalprobleem. Daardoor variëren de prevalentieschattingen sterk (RIVM, Spraakentaalstoornissen, jeugdgezondheid). Nederlandse GGD-logopedisten schatten dat ongeveer 15% tot 20% van de kinderen belangrijke spraak- en/of taalproblemen hebben, zoals problemen met articulatie (5%-15%), taal (6%), afwijkend mondgedrag (17%) of stotteren (1%) (Sluijmers & Horst, 2005). Een onderzoek in de regio Hart voor Brabant in 2006 resulteerde in vergelijkbare schattingen (Dijk, 2006).
De werkwijze van de logopedisten binnen de GGD Zeeland is per januari 2007 drastisch veranderd. Eén van de veranderingen betreft de screening van kinderen. Voorheen kregen alle kinderen in de leeftijd van 4,9 tot 5,9 jaar één keer een standaard spraak/taalscreeningsonderzoek. Vanaf 2007 worden vragenlijsten uitgedeeld aan ouders en leerkracht. Per kind vindt beoordeling van de twee vragenlijsten door de logopedist(e) plaats. Bij een aangegeven mogelijke afwijking van het normale ontwikkelingspatroon wordt het kind op school door de logopedist(e) gezien voor hetzelfde standaard spraak/taalscreeningsonderzoek als voorheen. Met het Taal Screenings Instrument (TSI) worden stoornissen in de taalontwikkeling opgespoord. Doorgaans wordt een score lager dan 35 als ‘zwak’ gedefinieerd, een score van 35 tot 40 als ‘twijfelachtig’, en 40 of hoger is voldoende.
In 2009 zijn bij 3428 kinderen de vragenlijsten afgenomen. Van deze groep kinderen zijn 1856 kinderen, oftewel 54%, gescreend met het screeningsinstrument door de logopedist. Bij 227 kinderen (7% van alle kinderen waarbij een vragenlijst is afgenomen) is geen screening gedaan, omdat deze al reeds onder behandeling zijn bij een andere logopedist.
Van de gescreende kinderen is de gemiddelde TSI-score in Zeeland 43,5. De taalontwikkeling verschilt niet tussen jongens en meisjes. Wordt de TSI-score ingedeeld in de categorieën ‘zwak’ (lager dan 35), ‘twijfelachtig’ (van 35 tot 40) en ‘voldoende’ (40 of hoger) dan blijkt dat 4% van de kinderen in 2009 een zwakke taalontwikkeling heeft en 6% een twijfelachtige taalontwikkeling.
Naast het registreren van de TSI-scores worden bij de logopedische screening stoornissen geregistreerd op het gebied van spraak, taal, gehoor, stem en mondgedrag. Spraakstoornissen (uitspraakproblemen en stotteren/broddelen) komen het meest voor bij kinderen (26%). Dit blijken voornamelijk problemen met de uitspraak te zijn (articulatie, slissen, door de neus praten). Ongeveer 14% van de kinderen heeft taalproblemen (taal en auditieve vaardigheden).
Verder heeft ongeveer een kwart (23%) mondproblemen. Hieronder vallen onder andere open mond gedrag, interdentale tongpositie, infantiele slik, onvoldoende mondmotoriek en duimzuigen. Stemproblemen heeft 6% van de kinderen en 2% heeft problemen met het verstaan van spraak.
Tabel 1. Taalspraakstoornissen in Zeeland (bron: PGO logopedische screening 2009)
Aantal
%
Uitspraakproblemen
898
26%
Mondproblemen
782
23%
Taalproblemen
488
14%
Stemproblemen
198
6%
Spraak verstaan
65
2%
Stotteren en/of broddelen
61
Een goede spraak- en taalontwikkeling vormt één van de belangrijke voorwaarden voor het leren op de basisschool. Daarom heeft de overheid besloten dat alle 5-jarigen vanaf 1 juli 2005 logopedisch gescreend moeten worden. Door de screening zouden mogelijke achterstanden of stoornissen vroegtijdig gesignaleerd en eventueel behandeld kunnen worden. Uit een evaluatie van de huidige screeningsinstrumenten blijkt echter dat er slechts beperkte uniformiteit is in de wijze waarop signalering van de taalachterstanden in de praktijk plaatsvindt. Er is weinig informatie over de wetenschappelijke kwaliteit van de verschillende screeningsinstrumenten. Ook is er onvoldoende duidelijkheid over de effectiviteit van de screeningsinstrumenten voor het beoordelen van de spraaktaalontwikkeling bij kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar. Het landelijk instellen van een formele screening bij jonge kinderen is zodoende lastig te rechtvaardigen. Wel wordt internationaal, en ook in Nederland, algemeen aangenomen dat opsporing van spraaktaalachterstanden nuttig is (Van der Ploeg et al., 2007). In de praktijk wordt in het land regelmatig gebruik gemaakt van andere instrumenten ter aanvulling op het van Wiechenonderzoek. Dit zijn de Lexilijsten (in verschillende talen), de SNEL (Spraak-en taal Normen Eerste Lijns gezondheidszorg) en het VTO (Vroeg Tijdige Onderkenning) taal 2-jarigen instrument.
Het Centrum Jeugdgezondheid heeft in maart 2009 een standpunt ingenomen om vergelijkbare onderdelen van de hierboven genoemde spraak/taalscreeningsinstrumenten samen te voegen en te integreren in het Van Wiechen onderzoek. Zo kan vroege signalering van communicatieve problemen (tussen 2 en 4 jaar) op uniforme wijze plaatsvinden. Het Centrum adviseert om hier wetenschappelijk onderzoek naar te doen. Ook adviseert het dat er meer bijscholing moet komen over het onderwerp taalontwikkeling
In het gemeentelijk basispakket jeugdgezondheidszorg is een spraak-/taalscreening bij kinderen tussen 4;9 en 5;9-jarigen opgenomen (zie Wat gebeurt er al in de regio). Naast de jeugdgezondheidszorg is er nog een belangrijke invalshoek voor gemeentelijk beleid. De gemeente draagt namelijk ook door het voor- en vroegschools educatiebeleid (VVE) bij aan de (vroegtijdige) ontwikkeling van kinderen. En via dit beleid kan de aandacht voor taalontwikkeling in peuterspeelzalen en kinderdagverblijven versterkt worden. Extra ondersteuning aan kinderen met risico's op achterstanden geeft hen betere kansen op een succesvolle schoolcarrière en een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.
Door VVE-programma's aan te vullen met logopedische kennis en deze in te zetten op peuterspeelzalen heeft de gemeente de mogelijkheid om ontwikkelings- en taalachterstanden van kinderen in de basis aan te pakken. Ook op basisscholen kan de gemeente ervoor kiezen de preventie van logopedische stoornissen te versterken. Logopedisten kunnen een bijdrage leveren aan deze preventie door peuterspeelzaalleidsters en leerkrachten voor te lichten, te coachen en te trainen in het herkennen van een niet normaal verlopende taalontwikkeling en het kunnen stimuleren van een goede spraak/taalontwikkeling.
Inzet van logopedisten op het consultatiebureau is in den lande al veelvuldig aan de orde. Ook in Zeeuws Vlaanderen is het sinds 2007 ingevoerd. Er is behoefte bij verpleegkundigen en artsen aan deskundigheid op het gebied van signaleren van en adviseren bij een niet normaal verlopende spraak/taalontwikkeling en afwijkend mondgedrag bij 0 tot 4-jarige kinderen. Bij twijfel kunnen ouders met hun kind terecht bij de logopedist van JGZ op het consultatiebureau om zodoende te laten beoordelen wat goed verloopt en wat minder. Landelijk zowel als provinciaal blijkt in 50% van de aanmeldingen een gesprek, informatie en/of lichte advisering afdoende, in de overige 50% wordt na onderzoek besloten om door te gaan voor een logopedische behandeling in de vrije vestiging.
Hieronder staan activiteiten op het gebied van spraak- en taalontwikkeling weergegeven die in Zeeland worden uitgevoerd.
Vanuit het standaard takenpakket van de jeugdgezondheidszorg van de GGD Zeeland worden alle kinderen tussen 4;9 en 5;9 jaar gescreend. Alle ouders met kinderen in die leeftijd en hun leerkrachten krijgen een vragenlijst waarop zij mogelijke problemen kunnen aangeven t.a.v. spraak, taalontwikkeling, stem en mondgedrag van het kind. Als blijkt dat een kind voor onderzoek in aanmerking komt, voert de logopedist van de GGD een logopedisch onderzoek uit met behulp van het landelijk screeningsinstrument daarvoor bedoeld. De uitkomst van dit onderzoek wordt met ouders en leerkracht besproken en waar nodig worden er adviezen verstrekt. De advisering is kort, veelal schriftelijk en varieert van afbouwen van duimgedrag, oefeningen van een goede neusademing en het optimaal stimuleren van spraak en taal in de dagelijkse interactie tot verwijzing naar logopedische therapie. Verder wordt logopedisch onderzoek gedaan op basis van een twijfelachtige uitkomst van het screeningsonderzoek en op basis van een verzoek van derden, veelal jeugdarts, ouders en leerkrachten van het betreffende kind tussen 4 en 19 jaar.
Naast spraak/taalscreening van de kleuters heeft de GGD Zeeland een logopedisch spreekuur opgezet in de consultatiebureaus van Zeeuws Vlaanderen. Kinderen waarbij de cb-arts of verpleegkundige twijfelt aan het verloop van een goede spraak/taalontwikkeling kunnen door de logopedist bekeken worden. Ouders komen voor een gesprek en een onderzoek van hun kind. Daarna wordt besloten over een advies, vervolg of een eventuele doorverwijzing voor verder onderzoek of een logopedische behandeling in de vrije vestiging.
Daarnaast is door de logopedisten JGZ een aantal plusproducten ontwikkeld. Deze worden binnenkort aan de gemeenten aangeboden. Preventieve activiteiten uit deze pluspakketten zijn:
Deskundigheidsbevordering
Advies