Hoofdmenu Servicemenu Zoeken Inhoud
Een roker is gedefinieerd als iemand die (wel eens) rookt, ongeacht de frequentie van roken, de hoeveelheid die hij/zij rookt en de soort rookwaar:
Diverse factoren zijn van invloed op de kans dat jongeren (gaan) roken. Deze factoren zijn onder te verdelen in:
Het rookgedrag van jongeren maakt vaak deel uit van een breder patroon van riskant, rebellerend en afwijkend gedrag, zoals rijden onder invloed van alcohol, antisociaal gedrag of het gebruik van andere genotmiddelen. Jongeren die roken hebben een bijna zeven keer grotere kans om alcohol te drinken of op jonge leeftijd seks te hebben. De kans op cannabisgebruik is bij rokende jongeren bijna 22 keer zo groot als bij niet-rokende jongeren (Schrijvers & Schoemaker, 2008). Ook bij volwassenen zijn er samenhangen tussen ongezond gedrag. Rokers blijken vaak ook te veel alcohol te drinken, te weinig te bewegen en ongezond te eten (Schneider et al., 2009; Poortinga, 2007)
Roken was in 2007 verantwoordelijk voor bijna 20.000 sterfgevallen in Nederland. Bij mensen boven de twintig jaar is een groot deel van de sterfgevallen door longkanker, COPD en kanker in het hoofdhalsgebied te wijten aan roken. Roken is ook een risicofactor voor diverse andere aandoeningen, zoals aandoeningen aan hart en bloedvaten. Behalve rokers lopen ook mensen die meeroken (passief roken) meer risico op onder meer longkanker en hart- en vaatziekten. Wanneer moeders tijdens de zwangerschap (passief) roken, lopen hun kinderen eveneens meer risico op gezondheidsproblemen.
Roken gaat ook gepaard met een slechtere kwaliteit van leven, meer ziekteverzuim en een hoger zorggebruik (Surgeon General, 2004). In vergelijking met andere leefstijlfactoren is de bijdrage aan de totale ziektelast bij roken hoog. Ten opzichte van niet-rokers verliezen rokers in Nederland naar verwachting gemiddeld 4,1 levensjaren en 4,6 gezonde levensjaren (Hoeymans et al., 2010). In vergelijking met andere risicofactoren is het verlies aan levensjaren voor roken het grootst.
Volwassenen die willen stoppen met roken, noemen vooral de volgende redenen (STIVORO volwassenen, 2008):
Hoe eerder een roker stopt met roken, hoe sterker het risico op voortijdige sterfte daalt. Een roker die voor het zestigste levensjaar stopt met roken, verlengt zijn leven gemiddeld met drie jaar. Bij stoppen voor het vijftigste jaar is dat zes jaar en voor het veertigste levensjaar negen jaar. Het sterfterisico wordt ook bepaald door de duur van het roken, het aantal sigaretten dat gerookt wordt en de diepte van het inhaleren van de rook (Bemelmans et al., 2005).
Direct nadat een roker gestopt is met roken, daalt de bloeddruk en binnen 24 uur neemt de kans op een hartinfarct al af (Hilvering, 2005). Een jaar nadat de roker gestopt is, is de kans op coronaire hartziekten gehalveerd. Binnen vijf jaar is de kans op mondholte- of slokdarmkanker gehalveerd en is de snelheid van de achteruitgang van de longfunctie van een COPD-patiënt vergelijkbaar met een nooit-roker. Tussen de vijf en vijftien jaar na het stoppen is de kans op een beroerte afgenomen tot die van een nooit-roker. Na tien jaar is de kans op longkanker gedaald tot twee keer zo groot als bij een nooit-roker. Na vijftien jaar is de kans op een hartinfarct ongeveer gelijk aan die van de nooit-roker.
Bron: Nationaal Kompas Volksgezondheid
In 2008 rookte 27% van alle Nederlanders van 15 jaar en ouder wel eens of dagelijks (zie figuur 1). Er roken meer mannen (30%) dan vrouwen (24%). Dit geldt voor alle leeftijdsgroepen, met uitzondering van de 45-54-jarigen. Het percentage rokers is het hoogst bij 25-34-jarige mannen (36%) en het laagst bij 65-plussers (15% rokers bij de mannen en 12% bij de vrouwen) (STIVORO volwassenen).
In 2008 gaf 24% van de jongeren (10-19-jarigen) aan dat ze de afgelopen vier weken hebben gerookt. Dit percentage is 2% bij de jongsten (10-12-jarigen) en 43% bij de oudsten (17-19-jarigen). Minder dan de helft (42%) van de jongeren heeft ooit wel eens gerookt (STIVORO jeugd).
In 2008 was het gemiddeld dagelijks aantal sigaretten bij rokers veertien. Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen (STIVORO volwassenen). Bij rokende jongeren is het dagelijks aantal sigaretten voor 13-14-jarigen gemiddeld vijf sigaretten, voor 15-16-jarigen zeven en voor 17-19-jarigen acht sigaretten per dag. Voor 10-12-jarigen zijn in 2008 geen cijfers beschikbaar (STIVORO jeugd).
Het percentage volwassenen dat (wel eens) rookt daalde in de tachtiger jaren, stabiliseerde in de jaren negentig, maar is de laatste jaren weer gedaald van 33% (jaren negentig) naar 27% in 2008. De daling geldt voor de meeste leeftijdsgroepen. Bij mannen is het percentage rokers sterk gedaald, vooral tussen 1980 en 2004. Bij de vrouwen valt de sterke daling in het percentage 20-34-jarige rokers op, vooral in de tachtiger jaren.
Sinds 1997 is het percentage jongeren dat zegt de afgelopen 4 weken te hebben gerookt gedaald; bij de oudsten (15-19-jarigen) van 47% in 1997 naar 40% in 2008 en bij de jongsten (10-14-jarigen) van 12% naar 8%. Deze daling geldt zowel voor jongens als voor meisjes.
Figuur 1: Percentage rokers naar leeftijd en geslacht in 2008 (Bron: STIVORO volwassenen).
Bij mensen met een lage opleiding (lager onderwijs, lbo of mavo) is het percentage rokers duidelijk groter dan bij mensen met een hoge opleiding (hbo of universiteit). In 2008 rookte 33% van de mannen met een lage opleiding en 23% van de mannen met een hoge opleiding. Bij vrouwen zijn die percentages 26% (lage opleiding) en 17% (hoge opleiding).
Uit GGD-onderzoeken in de grote steden en een nationaal onderzoek komt naar voren dat een groter percentage Turken rookt vergeleken met Nederlanders, vooral de Turkse mannen (Ariëns et al., 2006; Dijkshoorn, 2006, Haks et al., 2006, Uitenbroek et al., 2006; Van Lindert et al., 2004). Bij Marokkanen is het aandeel rokers minder hoog vergeleken met Nederlanders. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de Marokkaanse vrouwen die nauwelijks roken. Het aandeel rokers bij Surinaamse mannen is hoger of even hoog als bij Nederlandse mannen, terwijl bij Surinaamse vrouwen een kleiner of even groot aandeel rookt vergeleken met Nederlandse vrouwen.
In de Oosterschelderegio rookt 29% van de volwassenen wel eens. Bij ouderen (65-plussers) in Zeeland ligt dit percentage veel lager. Ongeveer één op de acht ouderen (12%) rookt wel eens en 46% geeft aan nu niet meer te roken, maar heeft dat vroeger wel gedaan. Slechts 2% van de volwassenen in de Oosterschelderegio is een zware roker en rookt 21 sigaretten of meer per dag. Zowel bij volwassenen als bij ouderen roken mannen vaker dan vrouwen (zie figuur 1). Verder is te zien dat het percentage rokers afneemt met de leeftijd.
Figuur 1. Percentage rokers in Zeeland naar leeftijd en geslacht (Bron: Gezondheidsmonitor Zeeland)
Bijna de helft (48%) van de Zeeuwse derdeklassers (14-15 jarigen) heeft ooit wel eens gerookt. In 2004 waren er meer 14-15 jarigen die ooit wel eens gerookt hadden (58%). Ongeveer één op de zeven Zeeuwse derdeklassers (14%) rookt iedere dag. Landelijk gezien heeft net als in Zeeland 49% van de 15- jarigen ooit wel eens gerookt en 15% rookt dagelijks. Hieruit kan geconcludeerd worden dat Zeeuwse derdeklassers voor wat dat betreft niet verschillen van Nederlandse. Er is geen verschil tussen jongens en meisjes wat betreft dagelijks roken. Verder blijkt dat onder leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en vmbo vaker wordt gerookt dan onder havo- of vwo-leerlingen (zie figuur 2).
Figuur 2. Percentage dagelijkse rokers onder Zeeuwse 14-15 jarigen naar onderwijstype (Bron: Jeugdmonitor Zeeland klas 3 VO 2007)
Het doel van het rookbeleid van de overheid is het ontmoedigen van roken en het beschermen van niet-rokers. Niet roken moet de sociale norm worden. In de nota 'kiezen voor gezond leven' heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport roken benoemd tot één van de vijf speerpunten van het preventiebeleid (VWS, 2006l). Als doelstelling is geformuleerd het percentage rokers terug te brengen van 28% in 2005 tot 20% in 2010. In het Nationaal Programma Tabaksontmoediging 2006-2010 heeft VWS samen met enkele gezondheidsfondsen aangegeven op welke wijze de doelstelling kan worden bereikt. De inzet is gericht op het:
Een belangrijk instrument van de overheid om het tabaksgebruik terug te dringen is wetgeving. Het ministerie van VWS stelt de Tabakswet op. In deze wet staan regels over de samenstelling, (promotie van) verkoop en verpakking van tabaksproducten en over rookvrije plekken. Meer uitleg over de Tabakswet is te vinden op een hiervoor speciaal ontwikkelde website 'Roken en de wet', opgezet door het ministerie van VWS en STIVORO. Andere instrumenten die de overheid inzet om het tabaksgebruik tegen te gaan, zijn prijsbeleid en voorlichting over de schadelijke gevolgen van roken. Het ministerie van VWS verstrekt subsidies aan diverse landelijke organisaties die betrokken zijn bij de voorlichting over roken.
STIVORO is het nationale expertisecentrum voor tabakspreventie en -behandeling. STIVORO is opgericht op initiatief van het Astma Fonds (binnenkort Longfonds), de Nederlandse Hartstichting en de KWF Kankerbestrijding en ontvangt van deze organisaties en van VWS instellingssubsidie. STIVORO voert elk jaar verschillende landelijke niet-roken campagnes uit, vaak met een massamediale component. Daarnaast voert de organisatie tal van andere landelijke en lokale voorlichtingsprojecten uit, veelal in samenwerking met andere organisaties. Verder adviseert STIVORO de overheid en de burger over wet- en regelgeving met betrekking tot roken en volksgezondheid. Tenslotte biedt STIVORO rokers die willen stoppen met roken, ondersteuning en implementeert STIVORO stopondersteuning in de zorgsetting. Andere landelijke organisaties die activiteiten ter preventie van roken uitvoeren zijn het Trimbos-instituut en de belangenvereniging Clean Air Nederland. Het Trimbos-instituut zet zich vooral in op het terrein van preventie van rookverslaving en Clean Air Nederland zet zich in voor meer rookvrije (publieke) ruimtes in Nederland.
In 2001 is op initiatief van het ministerie van VWS, het 'Partnership stop met roken' van start gegaan. Hierin zijn diverse publieke en private partijen uit het zorgveld verenigd. Het Partnership zet zich in voor de behandeling van tabaksverslaving in de zorg. Hiermee wil het Partnership een bijdrage leveren aan het verminderen van het percentage rokers en de daardoor veroorzaakte gezondheidsschade. Het Partnership zet zich in voor de toegankelijkheid, bereikbaarheid, kwaliteit en betaalbaarheid van ondersteuning aan rokers die willen stoppen met roken.
Beleid van andere sectoren dan de sector volksgezondheid heeft in veel gevallen ook gezondheidseffecten of gezondheidsdoelen. Dit wordt integraal gezondheidsbeleid genoemd.
Om binnen de gemeente een effectief tabaksontmoedigingsbeleid te voeren en het percentage rokers onder inwoners daadwerkelijk terug te dringen zijn sectoroverschrijdende maatregelen nodig. Op lokaal niveau zijn op een beperkt aantal beleidsterreinen gecombineerde maatregelen mogelijk (bron: Richtlijn Tabakspreventie in de nota Lokaal Gezondheidsbeleid):
Gemeenten dienen zich op grond van de Wet Publieke Gezondheid (Wpg) in te zetten voor de gezondheid van hun inwoners. Bovendien zijn er door een goed tabaksbeleid op lokaal niveau legio mogelijkheden om gezondheidswinst te behalen. De landelijke speerpunten uit de preventienota zijn, naast lokale prioriteiten, leidend voor het gemeentelijk gezondheidsbeleid. De gemeentelijke inzet op het speerpunt roken is echter over het algemeen erg mager. In slechts 10% van de eerste gemeentelijke beleidsnota's volksgezondheid was preventie van roken een aandachtspunt (STIVORO, 2006). Om gemeenten te stimuleren in te zetten op het terugdringen van het rookpercentage in hun gemeenten, is door STIVORO, in nauwe samenwerking met gemeenten en GGD'en, een handzame Handleiding voor Tabakspreventie in het Lokaal Gezondheidsbeleid ontwikkeld (Zeeman & Busch, 2007b). Het eerste deel van de handleiding geeft informatie voor het formuleren van verantwoord beleid. Het tweede praktische deel helpt om het beleid uit te kunnen voeren. De handleiding bevat ook een Leeflijn: een overzicht van alle preventieprogramma’s die beschikbaar zijn voor verschillende leeftijdsgroepen.
Ook heeft STIVORO de website Lokaal beleid opgezet gericht op tabakspreventie op lokaal niveau. Met de website en de richtlijn biedt STIVORO ondersteuning bij het formuleren van beleid en de uitvoering van dat beleid in concrete activiteiten. De website biedt informatie over de Handleiding voor Tabakspreventie in het Lokaal Gezondheidsbeleid en over het aanbod van deskundigheidsbevordering voor het invoeren van beleid en activiteiten. Wethouders en beleidsmedewerkers volksgezondheid van gemeenten en gezondheidsbevorderaars en beleidsmedewerkers van de GGD vinden hierin de informatie die zij nodig hebben bij het ontwikkelen en uitvoeren van tabakspreventie in hun werkgebied. STIVORO heeft de argumenten om roken op te nemen als speerpunt in het lokale beleid op een rijtje gezet in de factsheet Roken als speerpunt in het lokaal gezondheidsbeleid.
Preventieve interventies vinden vooral lokaal en regionaal plaats en worden in de praktijk voornamelijk uitgevoerd door GGD Zeeland, Indigo en de thuiszorgorganisaties Allévo, Zorgstroom en ZorgSaam. GGD'en geven op lokaal niveau voorlichting over roken. Op scholen voeren zij bijvoorbeeld het project 'De gezonde school en genotmiddelen' uit. Ook Indigo geeft voorlichting over roken via dit project. Verder participeren GGD Zeeland en Indigo in Actie Tegengif, de nationale niet-rokenwedstrijd voor de 1e en 2e klassen van het Voortgezet Onderwijs. Zowel Indigo als de thuiszorgorganisaties organiseren stoppen-met-roken cursussen (Zeeman & Busch, 2007b).
In Zeeland is roken slechts zijdelings (onder de noemer 'genotmiddelen') als speerpunt opgenomen in de lokale beleidsnota's volksgezondheid. Roken komt via bredere programma's aan de orde, zoals in de Gezonde School en Genotmiddelen. Dit programma richt zich alleen op de jeugd. Voor de doelgroepen volwassenen en ouderen is roken geen speerpunt in het gemeentelijke gezondheidsbeleid.
Op dit moment zijn er nog geen interventies van Allévo bekend die gericht zijn op het voorkomen van of stoppen met roken
Een aanbevolen interventie is een leefstijlinterventie waarvan de effectiviteit is beoordeeld door een onafhankelijke Erkenningscommissie van het Nederlands Jeugdinstituut en het RIVM. De Erkenningscommissie evalueert ingediende interventies op drie niveaus:
In de toekomst wordt een vierde niveau toegevoegd: ‘Kosteneffectief’.
Een goed beschreven interventie voldoet aan drie basale kwaliteitseisen:
De beoordeling van 'goed beschreven' interventies wordt uitgevoerd door GGD, GGZ of thuiszorgmedewerkers.
Lees meer over het beoordelen van interventies.
Hieronder staan de regionale organisaties weergegeven die interventies gericht op roken uitvoeren. Als u op een organisatie klikt, krijgt u interventies te zien die deze organisatie uitvoert. Door ontwikkelingen kan het zijn dat de lijst niet volledig is. Neem voor meer informatie, maatwerk en/of advies contact op met de betreffende instelling.