Hoofdmenu Servicemenu Zoeken Inhoud
Overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas) zijn abnormale of buitensporige opeenhopingen van vet die de gezondheid kunnen beïnvloeden (WHO, 2006h).
Er zijn verschillende methoden om te bepalen of iemand overgewicht heeft. Zo kan met de Body Mass Index (BMI) de verhouding tussen lengte en gewicht berekend worden. De BMI is de meest gebruikte maat om (ernstig) overgewicht te definiëren. Daarnaast geven de buikomtrek en de huidplooidikte ook een goede indicatie voor de hoeveelheid opgeslagen vet.
Het gewicht van iemand (in kilogram) gedeeld door het kwadraat van zijn lengte (in meters) geeft de Body Mass Index in kg/m2. De BMI is ingedeeld in de categorieën ondergewicht, overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas) (zie tabel 1).
De buikomvang geeft een goede indicatie van de hoeveelheid abdominaal vet (buikvet) en totaal lichaamsvet. De buikomvang (of 'middelomtrek') wordt gemeten tussen de onderkant van de onderste rib en de bovenkant van het bekken. Een buikomvang van minder dan 80 cm (vrouwen) of 94 cm (mannen) wordt beschouwd als normaal. Bij een omtrek van 88 cm of meer (voor vrouwen) of 102 cm of meer (voor mannen) is sprake van abdominale obesitas, gekenmerkt door vetophoping in de buik. Abdominale obesitas geeft een ernstig verhoogd risico op metabole complicaties (CBO, 2008c).
(Ernstig) overgewicht hangt samen met tal van chronische aandoeningen (zie tabel 2). Het risico wordt groter naarmate de BMI of de buikomvang toeneemt.
Naast de bekende oorzaken voor overgewicht als te hoge energie-inname en te weinig lichamelijke activiteit, komt er steeds meer bewijs voor oorzaken als psychische en sociale factoren (bijvoorbeeld emoties), genetische aanleg en de sociale en fysieke leefomgeving. Zo steeg het aantal mensen met overgewicht in een omgeving die uitnodigt tot veel eten en weinig bewegen, de zogenaamde obesogene samenleving. Aanpassingen in die omgeving kunnen leiden tot minder eten en meer bewegen.
(Ernstig) overgewicht heeft ook maatschappelijke en economische gevolgen. Het aantal ongezonde levensjaren (doorgebracht met ziekte en beperkingen) als gevolg van overgewicht vergroot immers ook de maatschappelijke kosten. Hieronder vallen bijvoorbeeld de kosten door arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim en kosten in de gezondheidszorg (Visscher et al., 2004).
Tabel 1: Internationale categorieën in lichaamsgewicht voor volwassenen: ondergewicht, overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas) naar BMI (Bron: WHO, 2006i).
Categorie
BMI (kg/m2)
Grenswaarden
ernstig ondergewicht
gemiddeld ondergewicht
matig ondergewicht
gemiddeld overgewicht
niveau 1
niveau 2
niveau 3
<16,0
16,0 - 16,99
17,0 - 18,49
25,0 - 29,99
30,0 - 34,9
35,0 - 39,9
≥40,0
Voor kinderen en jongeren gelden aangepaste grenswaarden van de BMI.
Tabel 2: Ziekten en aandoeningen waarvoor (ernstig) overgewicht een risicofactor vormt (Gezondheidsraad, 2003a, Van Wijnen et al., 2009).
Ziekten en aandoeningen die samenhangen met (ernstig) overgewicht
Bron: Nationaal Kompas Volksgezondheid
In 2009 was 47% van de volwassen Nederlanders boven de twintig jaar te zwaar: 53% van de mannen en 42% van de vrouwen had overgewicht (zie tabel 1). Mannen hebben vaker overgewicht dan vrouwen, maar vrouwen hebben vaker ernstig overgewicht. De gegevens komen voort uit zelfgerapporteerde gegevens van lichaamsgewicht en lengte en worden bevestigd door gemeten gegevens (Visscher et al., 2002; Nooyens et al., 2009a). Recente gemeten gegevens zijn niet beschikbaar. Bij zelfrapportage is de kans op een onderschatting van lichaamsgewicht groot en de cijfers geven daardoor een te gunstig beeld.
Van de jeugd van 2 tot 21 jaar heeft 14% overgewicht en 2% ernstig overgewicht. Meisjes hebben vaker overgewicht dan jongens en ook vaker ernstig overgewicht (zie tabel 1). Deze cijfers zijn afkomstig uit de Vijfde Landelijke Groeistudie van TNO uit 2010, waarin gewicht en lengte gemeten zijn onder ruim 20.000 kinderen en jongeren.
Op basis van de resultaten van de POLS-enquête, waarbij de deelnemers gevraagd is hun lichaamslengte en -gewicht aan te geven, is het percentage volwassenen met (matig dan wel ernstig) overgewicht gestegen tussen 1981 en 2007. In deze periode trad ook een sterke stijging op in het percentage volwassen mensen met ernstig overgewicht. Het percentage volwassenen van 20 jaar en ouder met ernstig overgewicht steeg van 5,1% in 1981 tot 11,2% in 2007 (mannen en vrouwen samengenomen). Een stijgende trend in BMI is waargenomen in alle leeftijdsgroepen. Bij mannen zijn de waargenomen trends in de verschillende leeftijdsgroepen vergelijkbaar. Bij vrouwen verschilt de toename in BMI tussen leeftijdsgroepen. De stijging bij vrouwen in de leeftijdsgroep 20-39 jaar was significant groter dan bij vrouwen van 40 jaar en ouder (Gast et al., 2007). De laatste jaren lijkt de toename in het percentage volwassenen met overgewicht iets te zijn gestabiliseerd (zie figuur 1).
De Vijfde Landelijke Groeistudie van TNO laat zien dat de prevalentie van overgewicht bij kinderen en jongeren blijft stijgen (zie figuur 2). In 1980 had 6% van de jongens en meisjes van 2 tot 21 jaar overgewicht, in 1997 was dit gestegen naar bijna 11%. In 2010 is gebleken dat 14% van onze jeugd te zwaar is. Daarvan zijn ook steeds meer kinderen en jongeren veel te zwaar (obees). Alhoewel meisjes nog altijd vaker (ernstig) overgewicht hebben dan jongens, wordt dit verschil steeds kleiner.
Tabel 1: Percentage volwassenen met overgewicht en ernstig overgewicht in 2009 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn; CBS StatLine). Percentage kinderen en jongeren met overgewicht en ernstig overgewicht in 2010 (Bron: TNO, 2010).
Volwassenen (> 20 jaar)
Kinderen (2-18 jaar)
mannen
vrouwen
jongens
meisjes
Overgewicht (BMI >=25 kg/m2)
52,5
41,9
13,3
14,9
Matig overgewicht (BMI 25,0-29,99 kg/m2)
41,3
29,5
11,5
12,7
Ernstig overgewicht (BMI >=30 kg/m2)
11,2
12,4
1,8
2,2
Figuur 1: Percentage mensen (20 jaar en ouder) met (matig dan wel ernstig) overgewicht in de periode 1981-2007, gestandaardiseerd naar leeftijds- en geslachtverdeling in 1981 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2008).
Ongeveer de helft (46%) van de volwassenen in de regio Oosterschelde heeft overgewicht en één op de negen (11%) heeft zelfs ernstig overgewicht (obesitas). Van de 65-plussers in Zeeland heeft 58% overgewicht. Bij 14% is sprake van ernstig overgewicht (tabel 1). Deze percentages zijn vergelijkbaar met de landelijke cijfers.
Bij het laatste consult op het consultatiebureau (Jeugdgezondheidszorg 0-4 jaar) zijn kinderen gemiddeld drie jaar en negen maanden, wanneer lengte en gewicht worden gemeten. Ongeveer 9% van deze Zeeuwse kinderen heeft (ernstig) overgewicht en 1% heeft zelfs obesitas. Van de vijfjarigen in Zeeland heeft ongeveer één op de tien 11%) (ernstig) overgewicht, en 3% heeft obesitas. Bij tien- en dertienjarigen ligt het percentage (ernstig) overgewicht nog iets hoger (tabel 1). Deze cijfers zijn gebaseerd op lengte en gewicht, dat gemeten wordt tijdens de periodieke gezondheidsonderzoeken (PGO). De PGO’s werden in 2008-2009 uitgevoerd in groep 2 (vijfjarigen) en groep 7 (tienjarigen) van het basisonderwijs en klas 2 (dertienjarigen) van het voortgezet onderwijs. Vergeleken met landelijke jeugdigen hebben Zeeuwse leeftijdsgenoten iets minder vaak overgewicht. Uit de Jeugdmonitor Zeeland 2007 blijkt dat 9% van de derdeklassers op het voortgezet onderwijs (14- en 15-jarigen) (ernstig) overgewicht heeft en 1% obesitas. Deze cijfers zijn gebaseerd op zelfgerapporteerde gegevens over lengte en gewicht en daarom niet goed vergelijkbaar met landelijke cijfers.
De Nederlandse Norm Gezond Bewegen houdt in dat iedere volwassene en oudere (65-plusser) ten minste vijf dagen per week gedurende een half uur per dag matig intensief beweegt. Bijna vier op de tien (36%) volwassenen in de regio Oosterschelde en vier op de tien ouderen in Zeeland (36%) voldoet niet aan deze norm. Bij jongeren is deze beweegnorm iets anders: jongeren onder de 18 jaar moeten dagelijks een uur matig intensieve lichamelijke activiteit uitoefenen. Ruim driekwart (76%) van de Zeeuwse 14- en 15-jarigen voldoet niet aan deze norm.
Tabel 1 Overgewicht in Zeeland naar leeftijd en geslacht (Bron: Preventieve Gezondheidsonderzoeken 2009, Gezondheidsmonitor Zeeland).
Mate van overgewicht
Leeftijdsgroep
Prevalentie (%)
Totaal
Mannen
Vrouwen
Overgewicht (inclusief obesitas)
Bijna 4 jaar
9
7
10
5-jarigen
11
14
10-jarigen
18
17
13-jarigen
13
14-15 jaar
19-64 jaar (2005)
46
52
39
65+ jaar
58
59
57
Ernstig overgewicht (obesitas)
Bijna 4 -jarigen
1
2
3
16
Sinds 2006 is bestrijding van overgewicht al een speerpunt uit het preventiebeleid van de overheid. In de kabinetsnota zijn destijds twee doelstellingen ten aanzien van overgewicht opgesteld (VWS, 2006l):
Om mensen te helpen op een makkelijke manier een gezonde keuze te maken, heeft het ministerie van VWS onder meer het Convenant Gezond Gewicht opgestart. In de Nota Overgewicht doet het kabinet een beroep op maatschappelijke partners (zoals artsen, werkgevers, schoolbesturen en lokale overheden) om een bijdrage te leveren aan de preventie van overgewicht. Samen moeten zij de fysieke en sociale leefomgeving gezonder maken, door onder andere beweging te stimuleren en te zorgen voor een gezonder eetpatroon (VWS, 2009b). Naast de Nota Overgewicht heeft het ministerie van VWS ook nota's op het gebied van bewegen en voeding uitgebracht. De nota 'Gezonde voeding van begin tot eind' heeft tot doel een gezond voedingspatroon bij de consument beter mogelijk te maken (VWS, 2008i). In de beleidsbrief 'De kracht van sport' wordt sport en bewegen ingezet om bewegingsarmoede te bestrijden (VWS, 2007s).
Als onderdeel van het Convenant Gezond Gewicht wordt extra aandacht besteed aan een integrale en samenhangende lokale aanpak van ernstig overgewicht onder kinderen. Dit onderdeel heet Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG) en is gebaseerd op een Frans programma om overgewicht bij kinderen te voorkomen, het EPODE (Ensemble Prévenons l’Obesité Des Enfants). Het programma JOGG biedt ondersteuning aan deelnemende gemeenten bij een effectieve en duurzame aanpak gericht op een gezond gewicht voor jongeren.
Ook de leefomgeving heeft invloed op het gewicht van mensen. De omgeving waarin we leven, nodigt steeds meer uit tot veel eten en weinig bewegen. Het aanpassen van die omgeving kan een gunstige invloed hebben op het gedrag van mensen. Bijvoorbeeld door gezonde voeding aan te bieden op school en werk of fietsen en wandelen te stimuleren door autoluwe zones aan te leggen. Preventieprogramma’s die inzetten op het beïnvloeden van gezondheid via zowel individueel gedrag als de omgeving hebben meer kans van slagen.
Het rapport 'Overgewicht: de gemeente aan zet' geeft een inventarisatie weer van beleidsinstrumenten die ingezet zijn in nationaal en lokaal georiënteerde projecten gericht op het voorkomen van overgewicht bij jongeren tussen 0 en 19 jaar. Deze beleidsinstrumenten zijn ingedeeld naar type (communicatief, juridisch, economisch of voorzieningen) en onderscheiden naar de settings school, wijk en zorg. Daarnaast zijn vanuit beleidsvelden instrumenten geïnventariseerd. Dit zijn de beleidsvelden Onderwijs, Sport & Recreatie, Ruimtelijke Ordening/Verkeer & Vervoer en Zorg & Welzijn (Nijboer & Alst, 2005).
Om overgewicht aan te pakken is samenwerking tussen de verschillende sectoren en binnen verschillende disciplines kansrijk en vele mogelijkheden zijn hierbij voorgesteld. Om dit soort sectoroverschrijdende instrumenten tot een goede uitvoer te brengen, is het raadzaam een overgewichtcoördinator aan te stellen. Deze dient dan de verantwoordelijkheid te krijgen om de samenwerking tussen de verschillende sectoren optimaal te laten verlopen en zich te richten op een integraal gemeentelijk aanbod gericht op de preventie van overgewicht. Doordat de coördinator kan zorgdragen voor een goede communicatie, samenwerking en afstemming tussen alle betrokken partijen ontstaat een gerichte en efficiënte aanpak. Want de basis voor een succesvolle overgewichtpreventie ligt in de integrale aanpak waarbij praktisch alle beleidsvelden betrokken zijn.
Het programma Gezonde Slagkracht is een ZonMw-programma in opdracht van het ministerie van VWS. Het programma duurt van 2009 tot 2013 en heeft een budget van 10 miljoen euro. Gezonde Slagkracht staat open voor alle gemeenten en biedt financiële en inhoudelijke ondersteuning.
Het programma Gezonde Slagkracht geeft gemeenten de mogelijkheid om individueel en gezamenlijk te zoeken naar en te werken aan het ontwikkelen en uitvoeren van een integrale effectieve aanpak. Het programma richt zich op een gezonde leefstijl.
Daarna kunt u jaarlijks tot 2013 aanvragen indienen. Via de website wordt u hierover geïnformeerd.
Hieronder zijn vier verschillende voorbeelden van gemeentelijke beleidsmaatregelen weergegeven:
Voor het gehele overzicht van maatregelen: Overgewicht: de gemeente aan zet.
In de brochure Wat kan uw gemeente doen aan de preventie van overgewicht bij jeugdigen? over de aanpak van preventie overgewicht bij jeugdigen worden richtlijnen voor een geïntegreerde lokale aanpak gegeven. Daarbij is samenwerking tussen de verschillende sectoren en binnen verschillende disciplines noodzakelijk.
In 2007 is de Handleiding Preventie van Overgewicht in Lokaal Gezondheidsbeleid uitgekomen. Deze handleiding is ontwikkeld door het Voedingscentrum in nauwe samenwerking met landelijke partners, gemeenten en GGD'en. Een eerste deel geeft de informatie die nodig is om het speerpunt overgewicht als beleid op te nemen in de lokale nota, het tweede deel geeft de informatie die nodig is om dit beleid om te zetten in een concreet actieprogramma. De LEEFLIJN geeft voor het thema overgewicht de meest aangewezen interventies weer. Uit de LEEFLIJN kan een keuze gemaakt worden voor een minimaal uit te voeren Basispakket. Het Voedingscentrum biedt tevens via de website ondersteuning bij het formuleren van beleid en de uitvoering van dat beleid in concrete activiteiten (Voedingscentrum, 2007a; Voedingscentrum, 2007b).
November 2009 is het Convenant Overgewicht voortgezet in een nieuw Convenant Gezond Gewicht. Onder de naam Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG) ondersteunt het convenantbureau de komende vijf jaar gemeenten die samen met publieke en private partijen bouwen aan een gezonde gemeente. Deze aanpak is gebaseerd op het Franse EPODE (Ensemble Prévenons l’Obesité Des Enfants), de methode waarmee inmiddels zo’n 165 ‘villes santés’ het overgewicht drastisch hebben teruggebracht.
Kijk ook eens op de website van JOGG.
Een aanbevolen interventie is een leefstijlinterventie waarvan de effectiviteit is beoordeeld door een onafhankelijke Erkenningscommissie van het Nederlands Jeugdinstituut en het RIVM. De Erkenningscommissie evalueert ingediende interventies op drie niveaus:
In de toekomst wordt een vierde niveau toegevoegd: ‘Kosteneffectief’.
Een goed beschreven interventie voldoet aan drie basale kwaliteitseisen:
De beoordeling van 'goed beschreven' interventies wordt uitgevoerd door GGD, GGZ of thuiszorgmedewerkers.
Lees meer over het beoordelen van interventies.
Hieronder staan de regionale organisaties weergegeven die interventies gericht op overgewicht uitvoeren. Als u op een organisatie klikt, krijgt u interventies te zien die deze organisatie uitvoert op het gebied van overgewicht. Door ontwikkelingen kan het zijn dat de lijst niet volledig is. Neem voor meer informatie, maatwerk en/of advies contact op met de betreffende instelling.
De GGD Zeeland is bezig met het inventariseren van interventies ter preventie van overgewicht per regio. Diverse organisaties zijn hiervoor benaderd en hebben hun aanbod ingevuld. De interventieoverzichten geven (nog) geen volledig beeld maar geven wel een indicatie van wat er gebeurt in de desbetreffende gemeenten.
Overgewicht voorkómen, ofwel een goed gewicht behouden, is een kwestie van het handhaven van een gezonde energiebalans. Een gezonde energiebalans bereik je door evenwichtige voeding en voldoende beweging. Een andere ingang voor het bestrijden van overgewicht ligt in het gezonder maken van de omgeving. Lan niet alle kansen worden benut. Voor het bestrijden van bestaand overgewicht zijn vroege opsporing en behandeling aan de orde. Afstemming en samenwerking tussen zorgverleners in de regio verdient aandacht.
Het bevorderen van een gezond voedingspatroon en gezonde beweeggewoonten in de jeugdjaren lijkt de beste garantie te bieden voor het behoud van een gezond gewicht. Veel landelijk aanbod draagt deze boodschap uit en ook in de regio krijgt de promotie van een gezonde leefstijl aandacht. Massamediale campagnes, cursussen en themabijeenkomsten, individueel advies, lespakketten: de beschikbaarheid is groot maar het bereik is vaak teleurstellend.
Recent is de focus van sommige campagnes verschoven naar voorbeeldgedrag thuis en opvoedkundige aspecten van leefstijlgedrag. Zo zijn er een aantal gedragsregels voor het opgroeien met een gezond gewicht:
De belangstelling onder ouders voor voorlichting over het onderwerp gezonde leefstijl is niet groot. Er is veel aanbod op het terrein van voorlichting, maar de vraag is klein. Themabijeenkomsten en cursussen worden regelmatig geannuleerd. De aansluiting van de boodschap met de realiteit waarin mensen leven, lijkt onvoldoende. Dit vraagt om een herbezinning op de toonzetting van de voorlichting. Meer van hetzelfde is niet zinvol, andere manieren om de burger te benaderen wel. In het onderwijs, een veel gebruikte ingang voor educatieve programma's die op kinderen gericht zijn, is het aanbod groot en onsamenhangend. Scholen geven aan vaak ongevraagd advies over lespakketten e.d te ontvangen. Ook heeft leefstijl soms niet de eerste prioriteit als het om invullen van schaarse vrije ruimte gaat. Aandacht voor gezonde voeding en voldoende beweging heeft op school veelal een ad hoc karakter. Scholen worstelen met de vraag in hoeverre zij daar een rol in dienen te spelen naast de ouders. Uit onderzoek blijkt overigens dat ouders in veel gevallen wel een rol voor de school weggelegd zien; 41% van de ondervraagde ouders in het Nationaal Onderzoek Tevredenheid Onderwijsinstellingen vindt dat het gezondheidsbeleid op de basisschool actiever en beter kan (persbericht Nationaal Scholenonderzoek 2008-2009).
Mensen maken gedragskeuzes altijd in een sociale en fysieke omgeving. Door deze 'setting' gezonder te maken, vergemakkelijk je de keuze voor gezond gedrag. Deze omgevingsbenadering biedt veel kansen. In Zeeland zijn er al scholen die structureel met gezondheid en gezonde omgeving bezig zijn. Het beleid van instellingen waar kinderen verblijven en van scholen zou gezondheidsbevorderend moeten zijn, met regels en voorzieningen die gezond eten en veel bewegen stimuleren. De GGD Zeeland wil gezondhedisbevordering in instellingen en op scholen gemakkelijker maken door een werkwijze te hanteren die gebaseerd is op de Gezonde School Methode.
In verschillende gemeenten wordt de BOS (Buurt-Onderwijs-Sport)-impuls uitgevoerd; veelal wordt deze landelijke subsidie aangewend om kinderen tijdens en buiten school te laten kennismaken met diverse sporten. De BOS-impuls loopt in 2011 af. Een aantal gemeenten komt in aanmerking voor financiering in het kader van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB), waarin een impuls wordt gegeven aan het realiseren van beweeginterventies als onderdeel van gemeentelijk gezondheidsbeleid. Tussen 2008 en 2012 gaan sommige gemeenten aan de slag met zgn. Combinatiefuncties Onderwijs, Sport en Cultuur. Dit in het kader van de 'Impuls brede scholen, sport en cultuur' van VWS en OCW. Combinatiefunctionarissen zijn professionals die bij één werkgever in dienst zijn, maar werkzaam zijn in meerdere sectoren. Daardoor verbetert de samenhang tussen brede scholen, sportverenigingen en culturele instellingen. Kansen om de omgeving gezonder te maken liggen voor gemeenten o.a. op het terrein van ruimtelijke ordening (inrichting wijken, wandel-, fiets- en speelvoorzieningen, groenvoorziening), verkeer (terugdringen auto's) en vergunningenbeleid (weren van fastfood in de schoolomgeving).
Deze paragraaf geeft een algemeen beeld van overgewicht in Zeeland. Voor een advies op maat voor uw gemeente kunt u contact opnemen met mw. E. van Klinken (0113-249470 of estherella.vanklinken@ggdzeeland.nl).
Neem voor meer informatie contact op met GGD Zeeland
Neem voor meer informatie contact op met SportZeeland
Neem voor meer informatie contact op met Allévo
Neem voor meer informatie contact op met Zorgstroom
Neem voor meer informatie contact op met Zorgsaam